Biljarttermen


                    
              BILJARTTERMEN
Tips voor een correcte toepassing van biljarttermen
 
Deze pagina is bedoeld voor mensen die zich interesseren voor de biljartsport in
het algemeen en in het bijzonder voor degenen die zich onbewust en ongewild 
schuldig maken aan een onjuiste toepassing van biljarttermen.
 
Veel biljarttermen worden vaak overgenomen van anderen, zonder dat men
zelf nadenkt over de juistheid ervan.Meestal is het eenvoudig controleerbaar
door er met een taalkundig oor en oog naar te luisteren en te kijken.
 
Vooral topbiljarters, waar minderbegaafden huizenhoog tegen opkijken, worden
klakkeloos nagepraat omdat men denkt: ”Die zal het wel weten,want hij kan heel
goed biljarten en heeft les gehad van een bondsinstructeur.”
 
Dit is helaas een verkeerde gedachte, want uit eigen waarneming heb ik gezien en
gehoord dat ook bondsinstructeurs dat soort fouten maken. Met name punt 5
behandelt een hardnekkig misverstand. De oorzaak ligt dus op het hoogste niveau.
 
Voor iemand die dus biljartles wil geven, is het zaak dat hij zijn leerlingen de juiste
termen aanleert. Dit kan alleen ,wanneer hij de Nederlandse taal beheerst en juist
weet toe te passen. Is dit niet het geval, dan hoor je vergissingen zoals hieronder
beschreven staan.
 
Wees dus een beetje meer bewust van wat je zegt of schrijft. Dit voorkomt
misverstanden, onenigheid en onnodige irritatie.
 
                                                        TERMEN
1. De termen piqué en massé worden vaak foutief toegepast.
    Bij een piqué wordt de speelbal d.m.v. geheven achterhand rechtstreeks
    (of via de band) van bal 2 naar bal 3 gespeeld. Je kunt dit beschouwen als
    een trekstoot met de keu in een min of meer verticale stand.
    Bij een massé wordt de speelbal d.m.v. geheven achterhand met een boogje
    om bal 2 heen naar bal 3 gespeeld, daarbij bal 2 ( de bal die het dichtst bij de
    speelbal ligt) eerst rakend.
 
2. De term doorschieten of doorschietstoot wordt vaak verbasterd tot doorstoten.
    Doorstoten is in mijn ogen een biljardé maken en wordt hier dus foutief toegepast.
 
3. De term biljardé houdt in, dat tijdens de afstoot de pomerans nog in contact is met
    de speelbal op het moment dat de speelbal reeds bal 2 raakt.
 
4. De term touché houdt in, dat een speler voor, tijdens of na de afstoot een bal
    onbedoeld en/of ongemerkt aanraakt, hetzij met de pomerans, hetzij anderszins.
 
5. De speelbal diep raken is onmogelijk. Wat hier wordt bedoeld, is de speelbal
    laag raken. Er is namelijk een wezenlijk verschil tussen diep en laag.
   
Deze termen hebben niets met elkaar te maken.
    Bij diep is er sprake van ergens in gaan (denk aan: in een rivier, in een meer,
    in een kast
en zelfs verticaal omhoog in een schoorsteenkanaal).
    Diepte
wordt gemeten vanaf de oppervlakte naar binnen toe. Diep hoort bij ondiep.
    Laag daarentegen hoort bij hoog. Hierbij wordt gemeten vanaf de onderkant
   
tot aan de bovenkant. Je kunt de bal dus wel hoog of laag raken, maar niet diep,
    want je kunt er niet in gaan met je pomerans. Simpel Nederlands dus.
 
6. Bij het arbitreren valt vaak de term: noteren 10 maal voor de heer.....
    
Wat 10 maal noteren, 10 maal 3, of 10 maal 5? Bedenk maar wat.
    Juist in dit geval is: noteren 10, de heer.....
 
       
    Joop Ulenberg